X

Sinterklaasgedichten maak je simpel, snel en origineel!

  • Ontvang 5 originele gedichten
  • Volledig gepersonaliseerd
  • In 2 minuten klaar!
Ga naar sinterklaasgedichten.net
Infoyo
Vragen en antwoorden
Zoek artikelen:

Enquete iPhone 4

Ontvang het laatste nieuws over "Financieel" en maak kans op 1000 euro cash.
Laat nu je e-mailadres achter. Speel gratis mee.


Hypotheekrenteaftrek; een lust of een last?

Venster sluiten

Maak een melding van dit artikel
Selecteer de motivatie van je melding:
Spam / reclame Misleidende of onduidelijke inhoud
Lage inhoudelijke kwaliteit Niet Nederlands
Erotische inhoud Artikel bestaat reeds op internet
Gokken / Illegale promotie Andere reden...

Omschrijf de motivatie van je melding:
Venster sluiten

Stuur dit artikel door
Je naam:
Je e-mailadres:
E-mailadres ontvanger:
Artikelscore
0
  Goed artikel ( 0 )
  Slecht artikel ( 0 )
RSS van Lezenne Lezenne Auteur op infoyo sinds
04 Februari 2011


Bekijk het profiel van Lezenne
Datum: 05-02-2011
Auteur: Lezenne
In dit artikel zal ik aandacht besteden aan de aspecten van deze hypotheekrenteaftrek. Hierbij zal ik door middel van het schetsen van het historisch kader omtrent de invoering en ontwikkeling van de hypotheekrenteaftrek door de jaren heen een poging doen om een duidelijk beeld te geven van dit fenomeen. Tevens zal ik aandacht besteden aan de wijzigingen die hebben plaatsgevonden en die nog zullen komen.

Het bezit van een eigen woning is voor de gemiddelde Nederlander het grootste vermogensbestanddeel. De financiering om tot aanschaf over te kunnen speelt hierbij een cruciale factor en verstrekking vindt gewoonlijk plaats door ter zekerheid hiervan een hypotheekrecht op de eigen woning te vestigen. In deze financiering zit een rentecomponent welke in beginsel ten laste van de eigen woning bezitter dient te komen. De wetgever heeft echter in het verleden om meerdere redenen een faciliteit gecreëerd waardoor de bezitter van een eigen woning de rente op hypothecaire leningen in beginsel kan aftrekken van het belastbaar inkomen uit box 1. Deze eigenwoningregeling, welke in de volgende paragrafen nader zal worden verklaard, heeft zowel positieve als negatieve kanten. Vast staat dat achter deze regeling een wereld schuil gaat van onvrede, discussie over rechtvaardigheid, maar ook van tevredenheid van diegene die er profijt van hebben.

Historisch kader
De hypotheekrenteaftrek vindt zijn oorsprong in 1892 in de in dat jaar ingevoerde Wet op de Vermogensbelasting. Door de invoering van deze wet diende iedere belastingplichtige belasting af te dragen over het door hem verdiende inkomen. Tot die tijd was het gebruikelijk dat iedere Nederlander een (vrijwel) vaste som aan belasting diende te betalen door onder meer accijnzen op eerste levensbehoeftes. Door de invoering van de Wet op de Vermogensbelasting werd een begin gemaakt aan een rechtvaardiger systeem, waarbij diegene die een groter inkomen genoten meer belasting diende af te dragen dan zij die een lager inkomen genoten. Onder het inkomen valt sinds 1892 ook de eigen woning . De gedachte hierbij was dat een eigen woningbezitter de woning ook zou kunnen verhuren, wat een bron van inkomsten op zou leveren. Als de bezitter de woning zelf ook daadwerkelijk bewoonde bespaarde die daarmee huur uit. Om deze reden koos de wetgever ervoor om de, per geval vast te stellen, huurwaarde van de woning op te tellen bij het belastbaar inkomen. Wegens het geringe percentage eigen woningbezitters onder de Nederlandse bevolking eind 19e eeuw achtte de wetgever het nodig om een deze eigen woningbezitter tegemoet te komen door hen de mogelijkheid van bepaalde aftrekposten te geven. Deze bestonden onder andere uit kosten van onderhoud, waardevermindering, maar bovenal uit de te betalen rente van de hypotheekschulden die waren aangegaan om het huis te kunnen financieren. Het gevolg was dat de aftrekposten veelal de huurwaarde overstegen, waardoor de eigen woningbezitters veelal geen belasting hoefde te betalen. Er ontstond dus feitelijk een situatie waarin de Nederlandse Staat de eigen woningbezitters financieel ondersteunde. De wetgever, in de hoedanigheid van Minister Pierson , zag dit effect als een “noodzakelijk kwaad” omdat hiermee de invoering van de Wet op de Vermogensbelasting een breder draagvlak kreeg en er immers nog niet veel huiseigen waren zodat de gevolgen nog beperkt zouden blijven. Ondanks alle wetswijzigingen heeft er sinds 1892 geen fundamentele verandering meer plaats gevonden en is men, ondanks de enorme stijging van het huizenbezit, blijven vasthouden aan de mogelijkheid om de hypotheekrente af te trekken.

Huidige regeling
Om gebruik te kunnen maken van de eigenwoningregeling dient men allereerst een eigen woning te bezitten. Hiervan is volgens art. 3.111 lid 1 IB 2001 sprake als een woning ‘anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat’ aan de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden. Met deze definitie wordt voorkomen dat huizenbezitters die de woning verhuren, en daarmee inkomsten genereren, tevens gebruik maken van de eigenwoningregeling. Maar deze omschrijving van de eigen woning zorgt er ook voor dat de woning van de partner, die daar niet meer woont wegens o.a. samenwonen bij de andere partner, fiscaal niet meer als eigen woning gezien wordt. Onder partner dient wel te worden verstaan de fiscale partner. Per 1 januari 2011 zijn er nieuwe regels omtrent het fiscaal partnerschap ingegaan welke zijn terug te vinden in art. 5a AWR en art. 1.2 IB 2001. Het fiscaal partnerschap kan van rechtswege ontstaan door het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap. Ongehuwd samenwonenden kunnen ook een fiscaal partnerschap aangaan. Hiervoor dienen zij dan wel te voldoen aan de gestelde voorwaarden genoemd in art. 5a lid 1 sub b AWR. Sinds 1 januari 2011 is het voor ongehuwd samenwonenden niet meer mogelijk om te kiezen voor het fiscaal partnerschap. Zij kunnen slechts een fiscaal partnerschap bewerkstelligen door te kiezen of zij aan de gestelde wettelijke voorwaarden voldoen, zoals bijvoorbeeld het hebben van een notarieel samenlevingscontract of het gezamenlijk bezitten van een eigen woning.
Je kan volgens de wet maar op één plek een eigenwoning bezitten. Mocht men meerdere woningen bezitten en de verhouding dermate zijn dat niet valt vast te stellen welke van de twee of meer woningen de eigen woning vormt, dan dient hierin een gezamenlijke keuze gemaakt te worden op grond van art. 3.111 lid 8 IB 2001.
De huidige fiscale situatie rond de eigenwoningregeling kan worden gezien uit een grondslagkant en
een kostenkant. De grondslagkant wordt gevormd door een bijtelling voor de eigen woning in het
Box 1-inkomen in de vorm van het eigenwoningforfait. In 2011 bedraagt het eigenwoningforfait 0,55% van de waarde van de woning, mits de waarde tussen de 75.000 euro en 1.020.000 euro ligt. Deze waarde wordt jaarlijks vastgesteld door een beschikking op basis van de Wet waardering onroerende zaken (hierna WOZ), zie art. 3.112 IB 2001. Als de eigen woning een lagere waarde heeft dan 75.000 euro of een hogere waarde heeft dan 1.020.000 euro, dan valt het percentage van het eigenwoningforfait respectievelijk lager of hoger uit. De WOZ-waarde van de eigen woning is het equivalent dan de huurwaarde welke Pierson voor ogen had bij de invoering van de regeling in 1892. Tot 2009 bestond er een plafond in het eigenwoningforfait, waardoor het eigenwoningforfait niet groter werd als de waarde van de woning boven dit plafond uitkwam. Sinds 2010 is hier tevens bijgekomen dat de woningen met een WOZ-waarde van boven de 1.010.000 euro tegen een hoger percentage aangerekend worden in de bijtelling dan de woningen die met een lagere waarde.

De kostenkant wordt gevormd door de rente en kosten voor de financiering van de eigen woning. Zoals gezegd zijn deze in beginsel aftrekbaar van het box 1 inkomen. Er zijn verschillende manieren om de hypothecaire lening af te lossen. Een daarvan is de mogelijkheid om vermogen op te bouwen door het te sparen op een gesloten bankrekening, waarbij de lening voor de eigen woning pas wordt afgelost als het opgebouwde vermogen de hoogte van de lening is overschreden. Fiscaal was dit niet aantrekkelijk, omdat het opgebouwde vermogen al snel belast werd met de vermogensrendements-heffing van Box 3. Om aan eigen woningbezitters tegemoet te komen heeft de wetgever enkele wijzigingen doorgevoerd waardoor ervoor is gezorgd dat er geen heffing zal plaatsvinden in box 1 en/of box 3 als er wordt gespaard voor de aflossing van de eigen woning. De kapitaalverzekering eigen woning is hiervan de bekendste, maar de spaarrekening eigen woning en het beleggingsrecht eigen woning zijn fiscaal gunstige faciliteiten voor huizenbezitters.

Op twee manieren kan het beginsel van fiscale aftrekbaarheid worden doorbroken. Deze zijn ontstaan als reactie van de wetgever op de toenemende gevolgen van de hypotheekrenteaftrek op de jaarlijkse overheidsbegroting.

Gevolgen van de hypotheekrenteaftrek
De geschetste historie geeft aan dat er aan het eind van de 19e eeuw opeens veel verandert is met betrekking tot de fiscale behandeling van de eigen woning, maar dat er sindsdien niets wezenlijks meer is gedaan om de gevolgen te beperken. Binnen de Europese Unie is Nederland nog het enige land waar een systeem van volledige hypotheekrenteaftrek bestaat . In veel Europese landen kon men in het verleden de betaalde hypotheekrente op een zodanige wijze deels of geheel verrekenen met het inkomen, dat men minder belasting over het inkomen hoefde te betalen. Te constateren valt dat in de laatste decennia de renteaftrek van hypothecaire leningen in al deze EU landen, met uitzondering van Nederland, is komen te vervallen.
De onbeperkte toepassing van de eigen woningregeling doet de druk op de jaarlijkse staatsbegroting alleen maar oplopen. Doordat het totale saldo van de eigenwoningforfait en hypotheekrenteaftrek negatief is, koste dat de Nederlandse Staat in 2007 8,8 miljard euro aan belastinginkomsten. In 2008 was dit al ruim 10 miljard. Hier valt tegenin te brengen dat het stijgend percentage eigenwoning bezitters de Staat ook belastinginkomsten doet genereren. De overdrachtsbelasting en de onroerend-zaakbelasting (OZB) vormen hierbij de voornaamste heffingen die tevens gemakkelijk uitvoerbaar zijn. Wat betreft de overdrachtbelasting is de notaris tevens hoofdelijk aansprakelijk op grond van art. 42 Invorderingswet 1990, zodat de Belastingdienst een relatief eenvoudige verhaalspositie heeft indien mocht blijken dat er onterecht geen overdrachtsbelasting is betaald. Opgemerkt moet worden dat de OZB wordt geheven op gemeentelijk niveau, zodat deze inkomsten buiten de begroting van de Rijksoverheid blijven. Maar ondanks deze laatste belastingopbrengsten zijn de financiële gevolgen niet gering.

Op 16 oktober 2008 heeft het Europees Hof van Justitie uitspraak gedaan in de zaak Renneberg .
Hierbij betrof het een ambtenaar met de Nederlandse nationaliteit die in Nederland werkte, maar die een woonachtig was in België en een eigen woning had. Zijn Box 1 inkomsten in Nederland bestond enkel en alleen uit positief inkomen uit werk. Zijn Belgische inkomsten waren negatief, welke toe te rekenen waren aan zijn eigen woning, waarop een Belgisch hypotheekrecht was gevestigd. Renneberg claimde de hypotheekrenteaftrek in Nederland, als aftrek van zijn belastbaar Box 1 inkomen. De Nederlandse inspecteur wees dit af, maar het Hof van Justitie stond dit toe, wegens het feit dat het inkomen nagenoeg geheel in Nederland was verdiend. Tot de uitspraak van het arrest konden alleen Nederlandse ingezetene gebruik maken van de eigenwoningregeling. Op grond van dit arrest kan iedere huizenbezitter die in de grensstreek in het buitenland woont en die nagenoeg het gehele inkomen in Nederland genereert, gebruik maken van de eigenwoningregeling, ondanks dat de eigen woning zich niet in Nederland maar in België of Duitsland bevindt. Het effect is dus dat naar aanleiding van dit arrest buitenlandse hypotheekrente in de Nederlandse grondslag geďmporteerd worden. Om misbruik van deze mogelijkheid te voorkomen dient het inkomen wel nagenoeg geheel, voor 90% of meer, in Nederland te zijn verdiend.

Rechtvaardiging
Het CBS heeft berekend dat bijna de helft van de totale som aan belastingvoordeel naar de huishoudens gaan met een bruto-inkomen welke ligt boven de 81.000 euro. Dit is te verklaren uit het feit dat hogere inkomens tegen een progressief hoger tarief worden belast in box 1, waardoor het aftrekken van hypotheekrente een groter voordeel voor hen opleveren. Het voordeel voor de huizenbezitters van de eigenwoningregeling komt namelijk als eerste ten laste van het hoogste tarief van Box 1, zie art. 2.10 IB 2001. De hogere inkomens kunnen daardoor per saldo het meeste aftrekken. Daarnaast blijkt uit dezelfde berekening van het CBS dat de hogere inkomens vaker een hypotheek hebben dan lagere inkomens, waardoor het effect alleen maar wordt versterkt. Waar de eigenwoningregeling bij de introductie in 1892 gerechtvaardigd werd uit de gedachte dat het een stimulans was voor de burgerij om een eigen woning aan te schaffen, blijkt inmiddels dat het middel zijn het doel heeft voorbij gestreefd, waardoor het mijns inziens noodzakelijk is om de regeling aan te passen.

Beperking van de hypotheekrenteaftrek

In de huidige fiscale behandeling van de eigen woning is er de afgelopen tien jaar veel gewijzigd. In de discussie over de eventuele beperking of afschaffing van de hypotheekrenteaftrek heeft de wetgever in de laatste tien jaar wijzigingen aangebracht door met name randvoorwaarden te stellen. Met deze wijzigingen heeft de wetgever beoogd de eigenwoningregeling af te bakenen. Allereerst is bij de inwerkingtreding van de IB 2001 de duur van de hypotheekrenteaftrek beperkt tot een maximum van 30 jaar. Tot 2001 was deze onbeperkt. Deze maatregel kan gezien worden als de aanloop tot de latere aanpassingen, zoals die van de bijleenregeling. Deze regeling is in 2004 in de wet opgenomen in art. 3.119a IB 2001. Als een eigen woningbezitter zijn eigen woning verkoopt en hiervoor een andere woning koopt, kan dit gevolgen hebben voor de renteaftrek. Doordat de verkoop van de oude woning meestal hoger is dan de hypothecaire schuld (eigenwoningschuld) ontstaat er een overwaarde. De bijleenregeling brengt met zich mee dat deze overwaarde gebruikt dient worden bij de aankoop van de nieuwe eigen woning. Dit betekent dat als men voor de nieuwe woning een hypotheek afsluit, de rente niet meer volledig aftrekbaar is. De rente is slechts aftrekbaar voor zover het gaat om rentelasten die zijn toe te rekenen aan het gedeelte van de hypothecaire lening dat de overwaarde overstijgt.

Zoals eerder gemeld zijn er sinds 2009 ook aanpassingen gedaan aan het eigenwoningforfait. Eerst heeft men het plafond eruit gehaald, en sinds 2010 wordt de eigen woning met een WOZ-waarde van boven de 1.010.000 euro tegen een hoger percentage aangerekend in de bijtelling. Dit hogere percentage zal jaarlijks met 0,2571%-punt worden verhoogd totdat deze in 2016 een percentage heeft bereikt van 2,35%. Hiermee zal een eigen woning met een WOZ-waarde van twee miljoen euro in 2016 een eigenwoningforfait van ruim 29.000 euro opleveren , terwijl dit in 2008 slecht ruim 5.500 euro was. Het gevolg van deze regeling voor woningen boven de miljoen euro is dat het saldo van de eigenwoningforfait en hypotheekrenteaftrek veelal veel minder negatief – of zelfs positief – zal zijn, met als gevolg dat er veel minder tot niets van de hypotheekrente in aftrek kan worden gebracht van het box 1 inkomen. De genomen maatregel acht ik verdedigbaar in het licht van de tot nu toe genomen maatregelen, maar ik heb wel bezwaar dat er geen enkel overgangsrecht is. Het is zeer waarschijnlijk dat vele kopers van de aankoop van een woning van boven de miljoen euro zouden hebben afgezien, als ze hadden geweten welke maatregelen hen vanaf 2010 stonden te wachten.
Al deze maatregelen hebben gemeen dat aan de ware aard van de hypotheekrenteaftrek niets wordt gewijzigd. Een huizenbezitter kan in beginsel nog steeds volledig de betaalde renten over de hypothecaire leningen aftrekken in je box 1. De maatregelen die genomen zijn raken naar mijn mening niet de kern, maar ze kunnen wel aanzienlijke gevolgen hebben voor de huizenbezitter. Deze geleidelijke aanpassing van de randvoorwaarden van de eigenwoningregeling acht ik persoonlijk gevaarlijker voor de huizenbezitter dan de huidige onzekerheid óf de hypotheekrenteaftrek ooit komt te vervallen. Want dat de huidige situatie niet meer oneindig kan worden voortgezet, daarover zijn bijna alle wetenschappers het eens. Heithuis noemt de doorgevoerde beperkingen van de afgelopen tien jaar dan ook niet voor niets ‘geniepig’.

Uitbreiding van de hypotheekrenteaftrek
Een groot deel van de woningbezitters zullen wegens de toegestane aftrekbaarheid van de rente op de aangegane lening een negatief box 1 inkomen genereren. Echter de woningbezitters die inmiddels de lening geheel of nagenoeg geheel hebben afgelost, en zij die nooit een lening hiervoor hebben moeten aangaan, worden geconfronteerd met het feit dat er toch een positief saldo van de eigen woning ontstaat, waardoor deze alsnog een belastbaar object vormt. Deze oneerlijke situatie is sinds 2005 beëindigd door invoering van art. 3.123a IB 2001. De huizenbezitters, die geen gebruik konden maken van de renteaftrekmogelijkheden, waren tot 2005 feitelijk belast tegen het eigenwoningforfait van art. 3.112 IB 2001. Nu de wetgever toestaat dat deze laatste groep huizenbezitters aanspraak hebben op kwijtschelding ter hoogte van de het positief saldo van het eigenwoningforfait, wordt de groep huizenbezitters die belanghebbende zijn bij de hypotheekrenteaftrek steeds groter. De invoering van dit artikel acht ik niet geheel rechtvaardig gezien de aard van de wet. Het is naar de strekking van de wet consequenter om deze huizenbezitters wel te belasten met het eigenwoningforfait, alleen ontbreekt hiervoor het draagvlak. Huizenbezitters die in het verleden eerst flink hadden gespaard voordat ze hun eigen woning met eigen middelen konden financieren worden nu niet meer ‘gestraft’ voor hun verstandige levenswijze. Door de invoering van art. 3.123a IB 2001 zie ik wel een probleem in de nabije toekomst ontstaan, want waar de plannen van het aanpassen of zelfs het afschaffen van de fiscale faciliteit in het recente verleden al zeer lastig was, zal dit de komende jaren alleen maar nog lastiger gaan worden gezien het feit dat als gevolg van onder andere de vergrijzing steeds meer huizenbezitters in aanmerking komen voor art. 3.123a IB 2001.

Alternatieven
Aangenomen wordt dat een eigen woning een bron van inkomsten in box 1 vormt. Naar mijn mening zou het veel gemakkelijker zijn om de eigen woning onder te brengen in box 3, net zoals dat gedaan is in Frankrijk. Het grote voordeel is dat de regeling van de hypotheekrenteaftrek dan komt te vervallen, evenals het eigenwoningforfait, waarbij een bepaalde waarde van de woning jaarlijks wordt belast als fictief rendement. Daarnaast zou een dergelijke maatregel de toepassing van de IB 2001 aanzienlijk consistenter en gebruiksvriendelijker maken. Zelf bezig ik het standpunt dat het nutteloos zou zijn om slechts te discussiëren over een geringe beperking van de hypotheekrenteaftrek. Er moet naar mijn mening wel degelijke structureel worden ingegrepen, ondanks het directe persoonlijke belang dat een aanzienlijk deel van de Nederlandse bevolking hierbij heeft. Alle overige EU landen hebben de regeling namelijk op zijn minst zeer sterk gereduceerd of zelfs afgeschaft. In de huidige economische omstandigheden ontraad ik de wijze waarop de Zweden de hypotheekrenteaftrek hebben beperkt, namelijk in twee stappen de aftrekbaarheid van 80% naar 26% verlagen. De Engelsen hebben de hypotheekrenteaftrek tussen 1979 en 2000 wel geheel afgeschaft, zij het dat dit stapsgewijs is gedaan. Een dergelijke wijze van afschaffing in combinatie met het verplaatsen van de eigen woning naar box 3 acht ik de beste oplossing, omdat hiermee een geleidelijke afbouw plaatsvindt waarbij de huizenmarkt zo min mogelijk de effecten van afschaffing ondervindt.

Mocht blijken dat een afschaffing toch niet mogelijk is, dan dient er op zijn minst een stevige beperking van de hypotheekrenteaftrek plaats te vinden. Hierbij moet onder andere gedacht worden aan de huidige stand van zaken in Zweden. Daarnaast heeft het Centraal Planbureau een eigen voorstel gedaan om wijzigingen aan te brengen in de hypotheekrenteaftrek. Het alternatief van het CPB zorgt ervoor dat de hypotheekschuld volledig aftrekbaar wordt tegen het tarief van 1,2%. De huizenbezitter dient hierbij een heffing van 0,5% te betalen over de waarde van het huis. Het eigenwoningforfait en de overdrachtsbelasting verdwijnen bij dit voorstel.

Tot slot is het ook mogelijk om de eigenwoningregeling niet aan te passen. Maar dit alternatief kan naar mijn mening niet serieus genomen worden wegens een groot gebrek aan realiteit.

Overgangsmaatregelen
Zoals gezegd is de huidige economische situatie er niet naar om grote aanpassingen door te voeren in de eigenwoningregeling. Wel acht ik een geleidelijke verhoging van het eigenwoningforfait voor alle WOZ-waardes in art. 3.112 lid 1 IB 2001 als een maatregel die praktisch en goed uitvoerbaar is. Wellicht kunnen dan ook de percentages een verloop worden meegegeven zodat deze een progressief forfait opleveren. Hiervoor dient de tabel in art. 3.112 lid 1 IB 2001 wel te worden aangepast, zoals per 100.000,- euro.

Conclusie
De fiscale regeling van de eigen woning vormt een belangrijke faciliteit voor vele belastingplichtigen. Dit brengt mede met zich mee dat zelfs een minimale aanpassing hiervan gepaard gaat met veel onzekerheid. Toch zal het uiteindelijk naar mijn mening onvermijdelijk zijn dat de eigenwoningregeling fundamenteel gewijzigd moet worden, omdat de monetaire gevolgen anders te groot zullen zijn. Hierbij zijn overgangsmaatregelen onontbeerlijk, maar de invulling hiervan zal van verschillende kanten moeten komen en zal een breed draagvlak moeten hebben. Het plaatsen van de eigen woning in box 3 acht ik dan ook het makkelijkst uitvoerbaar en daarmee het meest haalbaar. Men dient echter wel zorgvuldig met de eigenwoningregeling om te gaan, wegens de grote belangen die er mee gemoeid zijn. Terugkijkend op de invoering van deze regeling zou Pierson zeer waarschijnlijk een andere beslissing hebben genomen als hij destijds de gevolgen van zijn beslissing had kunnen voorspellen.

Reacties op dit artikel
Arno, 2011-02-18
( 0 )

Geachte Auteur,

Ik ben benieuwd op welke berekening van het CBS u doelt in de alinea Rechtvaardiging. Was trouwens het doel van de invoering van de renteaftrek louter het stimuleren van het eigen woning bezit? Weet u of er nog andere positieve neveneffecten zijn opgetreden door de hypotheekrenteaftrek.
Ik zie uw reactie graag tegemoet.

met vriendelijke groet,

Arno Gerritsen
Ksalksj, 2011-05-13
( 0 )

Lol
Plaats een reactie
Naam:
E-mailadres:

Reactie:




      Home   -   Aanmelden   -   Top artikelen   -   Nieuwe artikelen   -   Sitemap   -   Help   -   Links   -   Privacy policy   -   Contact
Copyright © 2017 - Infoyo.nl